De zoogdieren
In het Zoniënwoud leven of leefden niet minder dan 46 soorten zoogdieren!
Uit recent wetenschappelijk onderzoek blijkt dat "zeven soorten zoogdieren uit het woud sedert 1842 verdwenen zijn. Het gaat om de bruine beer (verdwenen omstreeks het jaar 1000), de wolf (rond 1810), de hazelmuis. Everzwijn en hert waren rond de vorige eeuwwisseling (19de en 20ste eeuw) nog aanwezig. De laatste die een tiental jaar geleden het toneel verlieten waren de das en de haas".
Onder de 39 soorten die nog aanwezig zijn, telt men bv. 14 soorten vleermuizen. Dat is een mooi cijfer, want in heel het land komen maar 18 soorten voor!
Een geïntroduceerde gast, door de wetenschap een exotische soort genoemd, en bij wandelaars goed gekend is, is de Siberische grondeekhoorn.
Dodelijke wegen
Deze diversiteit mag ons niet blind maken voor het feit dat de aantallen sterk gedaald zijn. De belangrijkste oorzaak hiervan is het verkeer. Door het bos lopen inderdaad een groot aantal zeer drukke wegen, waarvoor de fauna een zware tol betaalt.
Maar het verkeer is niet de enige oorzaak en meer onderzoek is nodig. Een aantal onderzoekers wijzen de (te ?) talrijke loslopende honden met de vinger, zij zouden de fauna verstoren. Om nog te zwijgen van de wandelaars die de paden verlaten.
De everzwijnen zijn terug
Het everzwijn (sus scrofa) verdween in 1917 uit het randstedelijke Zoniënwoud (ten zuidoosten van Brussel), maar maakte eind 2006 opnieuw zijn entree.
Veel reeën
Er zijn veel reeën in het Zoniënwoud. Recent onderzoek, dat nog bevestigd moet worden, raamt het aantal in het Brussels deel van het bos op 120. In het Vlaams gedeelte zouden er een zeventigtal rondlopen. Omdat onderhout in het bos eerder schaars is, nemen de reeën hun toevlucht tot jonge aanplantingen waar ze soms grote schade kunnen aanrichten. Wanneer men over bosverjonging spreekt, is dat een belangrijk gegeven.
Een prachtig gebied voor onze vleermuizen
Het bos is bijzonder rijk aan vleermuizen. Veertien van de 18 soorten die ons land rijk is vindt men in het Zoniënwoud. Volgens de wetenschap "is deze rijkdom te verklaren door de grote biologische waarde van het bos en het voorkomen aan de rand ervan van geschikte jachtterreinen, vooral boven en rondom het vijvercomplex van Woluwe". Hetzelfde geldt voor de omgeving van de vijvers van de IJse. Ook de vlaktes met struiken en ruigtekruiden op open plekken in het bos zijn belangrijke jachtterreinen. Daarnaast worden de talrijke dode bomen in bv. de bosreservaten door vleermuizen erg op prijs gesteld als schuilplaatsen.
Als verblijfplaats hebben ze inderdaad nood aan voldoende oude of holle bomen met scheuren en barsten. Onderzoekers erkennen dat het Zoniënwoud op dat vlak uitzonderlijk goed voorzien is: "Omdat het vlakbij een stad ligt is het Zoniënwoud meer een landschapsbos dan een exploitatiebos; de bomen mogen er ouder worden, wat voordeliger is voor de vleermuizen en verklaart waarom er zo uitzonderlijk veel soorten hun toevlucht zoeken".

