De eekhoorns
Eekhoorns zijn thans door twee soorten vertegenwoordigd.

De Koreaanse eekhoorn, Eutamias sibiricus, komt oorspronkelijk uit Azië, en wordt vaak door "dierenvrienden" in kooien gehouden. Hij is in 1974 in de Verdron ken Kinderenvallei uitgezet, hoe en door wie weet niemand. Later hebben andere in het bos achtergelaten exemplaren zich bij de reeds bestaande populaties gevoegd. Sindsdien maakt dit leuke diertje deel uit van de permanente fauna van het woud, met een populatie-omvang van waarschijnlijk enige duizenden exemplaren. Hij is kleiner dan de Europese eekhoorn (lichaam 13-15 cm, met een 8-10 cm lange, niet gepluimde dunne staart). De vijf bruine langsstrepen die zijn beige rug sieren zijn voor deze soort kenmerkend. Hij leeft vooral op de grond en graaft een hol met een aantal gangen die uitkomen in een vrij ruim, met dode bladeren gevoerd nest. Erg natte jaren veranderen het hol in een ongezond onderkomen waarin de jongen niet gemakkelijk overleven en oefenen aldus een grote invloed uit op de ontwikkeling van de populatie. Deze eekhoorn is overdag actief, levendig en niet erg schuw. Hij is eerst en vooral een vegetariër: zijn standaarddieet bestaat uit beukennootjes, eikels, samara's (van de es en de esdoorn), jonge blaadjes en zelfs bloemen. De Koreaanse eekhoorn is verzot op eikels, wat wellicht verklaart waarom hij in de dellen (waar vaker eiken staan) talrijker is dan op de plateaus (waar de beuk overheerst). Hij eet soms ook insecten, huisjesslakken en zelfs - helaas - eieren van bepaalde vogelsoorten die hun nest nabij de grond maken (roodborst, tjiftjaf, fitis en fluiter), wat reeds geleid heeft tot een afname van deze soorten. Hij heeft wangzakken, zodat hij het vergaarde voedsel naar een veilige plek kan overbrengen. Voor de winter legt hij voorraden van 1 tot 2 kilo zaden aan. Hij houdt een winterslaap, maar onderbreekt zijn sluimer regelmatig voor korte perioden om te eten. Bij zacht weer zal hij zijn hol verlaten, zelfs in het midden van de winter. Hij heeft tot nu toe geen natuurlijke vijanden, aangezien zijn oplettendheid en behendigheid hem voor verrassingen vrijwaren. Naar het schijnt slaagt alleen de bosuil er af en toe in een eekhoorn te verschalken. Deze soort zal zich daarom vermoedelijk snel uitbreiden, wat niet gewenst is.
De Bruine eekhoorn, Sciurus vulgaris, die alle wandelaars kennen, heeft een epidemie van een besmettelijke ziekte overleefd. Hij is iets groter dan de Koreaanse eekhoorn en leeft in de kruinen van de bomen, waar hij met twijgen grote nesten bouwt, die door een soort dak worden beschermd. De twee soorten zijn geen voedselconcurrenten. Weliswaar hebben ze beide een vrijwel identiek dieet, maar de Koreaanse eekhoorn zoekt zijn voedsel nabij de bodem, terwijl de bruine eekhoorn hoger in de bomen foerageert. Al met al lijkt dus het naast elkaar bestaan van de twee soorten - in tegenstelling tot wat men hadkunnen vrezen -(nog) niet tot problemen te leiden. Wat niet wil zeggen dat men de introductie van uitheemse soorten dient aan te moedigen, want deze praktijk kan tot zeer zware verstoringen van het natuurlijk evenwicht leiden.

