Monitoringsprotocol voor de everzwijnenpopulatie
Samenvatting van een studie door Corinne Maréchal van Wildlife & Man vzw.
Inleiding
Eind 2006 werden voor het eerst sinds hun uitsterven in 1917 terug everzwijnen (Sus scrofa) waargenomen in het Zoniënwoud. De beheerders werden hierdoor gedwongen antwoorden te zoeken op vragen naar de herkomst, de populatiegrootte en de mogelijke impact van de soort op de omgeving van het boscomplex (verkeer, landbouw, …). Ook de mogelijke beheeropties vormden een belangrijk vraagstuk voor de beheerders uit de drie landsgewesten.
Reeds in 2007 kende het BIM (volledig) de Universiteit van Luik (ULg) een studieopdracht toe rond deze problematiek. De populatiegrootte werd in deze studie op dat moment geschat op tussen de 15 en 30 dieren.
De huidige studieopdracht, toegekend aan de vzw. Wildlife and Man, vormt een direct vervolg op deze eerste studie. Ze bouwt verder op de aanbevelingen die door de auteurs van de ULg formuleerd werden om de toestand van de everzwijnen in Zoniën en de mogelijke beheerscenario’s nauwer te onderzoeken. Meer specifiek dient deze studie een monitoringsprotocol voor de everzwijnenpopulatie in Zoniën voor te stellen en een plan van aanpak uitwerken.
Keuze van de opvolgingsmethode voor de everzwijnenpopulatie in zoniën
Het rapport geeft een overzicht van de methoden die in de literatuur voorgesteld worden om de densiteiten van everzwijnen te bepalen. In het totaal werden 21 mogelijke methoden gevonden. Deze methoden kunnen in functie van hun uiteindelijk doel opgedeeld worden in elf « absolute » en tien « relatieve ». De absolute hebben tot doel het « aantal » te bepalen, de relatieve bepalen alleen maar een « index ». Een evaluatie van elk van deze methoden wordt gemaakt op basis van zijn voor- en nadelen en mogelijke randvoorwaarden. Lang niet al deze methoden zijn gevalideerd door het vergelijken van de bekomen waarde met een gekende populatiegrootte op basis van een referentiemethoden (bijvoorbeeld vangst-hervangst). Vervolgens werden twee elementen gehanteerd om een keuze te maken tussen de overblijvende mogelijke methoden; met name de « totale kost » van de methode (som van alle te investeren middelen voor het toepassen van de methode) en de « densiteitsgrenswaarde » (de densiteit waaronder of waarboven de methode niet toepasbaar is).
Op basis hiervan en van de ideeën, en de ervaringen van experts, werden uiteindelijk drie methoden geselecteerd voor Zoniën : de tellingen aan de hand van fotovallen op voederplaatsen, de aanmaak van een database met toevallige waarnemingen van everzwijnen (inclusief sporen, schade aan tuinen en landbouw en verkeersslachtoffers) en de jaarlijkse bevraging van het personeel van de bosbeheerdiensten van de verschillinde gewesten in Zoniën.
Beheerervaringen met everzwijnen in peri-urbaan gebied
In het kader van het opmaken van het plan van aanpak voor de everzwijnen in Zoniën overloopt het rapport de ervaringen met het beheer van everzwijnen in andere stedelijke of peri-urbane gebieden, met name in Barcelona (Collserola), de Parijse en de Luikse peri-urbane regio en in Berlijn. Deze vier cases illustreren duidelijk de grote verschillen in werkwijze en toegepaste maatregelen die bestaan. Drie deelaspecten komen in elk van de gevallen aan bod als deel van het plan van aanpak; een monitoring van de lokale populatie, het reguleren van de aantallen dieren in het gebied en een sensibilisatie van het brede publiek. Dit rapport evalueert de voor- en nadelen van de maatregelen die in deze gebieden toegepast worden.
Draagkracht van het zoniënwoud
Een analyse van de draagkracht van Zoniën voor everzwijn maakt tevens deel uit van deze studie. De draagkracht wordt bepaald vertrekkend vanuit een geografische analyse van de vier factoren die in de literatuur naar voor worden geschoven als doorslaggevend voor everzwijn. Naast de aanwezigheid van voedsel en dekking worden ook « rust », of omgekeerd verstoring, en de aanwezigheid van water in rekening gebracht. De resultaten geven aan dat de globale situatie van Zoniën zeer gunstig is voor everzwijnen gezien de beschikbaarheid van elk van deze elementen in bijna heel het massief. Daarenboven zullen zowel het project van het aanbrengen van ecoducten als de voorziene bosbouwkunde maatregelen (verjonging van bepaalde delen en diversificatie van de boomsoortensamenstelling van bestanden) vermoedelijk naar de toekomst de situatie in het massief voor everzwijnen nog verder verbeteren wat mogelijk zal bijdragen tot de verdere ontwikkeling van de aanwezige everzwijnenpopulatie.
Plan van aanpak voor het beheer van everzwijnen in zoniën
Het in dit rapport voorgestelde plan van aanpak baseert zich in hoge mate op de ervaringen beschreven voor de andere peri-urbane gebieden en de analyse van de draagkracht van Zoniën voor everzwijnen. Dit plan van aanpak bestaat uit een aantal verschillende « modules ». Naast het monitoren van de evolutie van de populatie (aantallen, gezondheidstoestand en genetische variatie), het reguleren van de populatie (door vangkooien of jacht) en de communicatie/sensibilisatie van het brede publiek (wandelaars, omwonenden, landbouwers) vormt ook nemen van inrichtende maatregelen een belangrijk aspect van dit plan van aanpak. Hierbij wordt gedacht aan het vrijmaken van de ondervegetatie in risicozones voor verkeersslachtoffers, inrichten van de bestaande en geplande faunapassage-plaatsen, het afrasteren van belangrijke infrastructuur assen en het aanbrengen van verkeersvertragende maatregelen op secundaire verkeersassen. Ook het uitwerken van mogelijke bijkomende ecoducten en van een wetenschappelijk programma (bestuderen van verplaatsingen, impact van de everzwijnen efficiëntie van de faunapassages). Geen enkele van de voorgestelde maatregelen is « belangrijker » dan de andere, ze maken allemaal samen deel uit van een geïntegreerde aanpak. Sommigen zullen echter sneller uitgevoerd moeten worden om problemen door het al dan niet moetwillig voederen van everzwijnen of risico’s op verkeersongelukken te voorkomen. Vertrekkend van het principe van een adaptief beheer dringt een regelmatige evaluatie van het gevoerde beheer gevolgd door een 97 bijsturing ervan indien gewenst op basis van de resultaten van deze evaluatie, of het bijstellen van de beheersdoelstellingen.

